In het AHN5 en het AHN6 zijn de specificaties van de hoogtemodellen gewijzigd ten opzichte van het AHN2/3/4.
De belangrijkste wijziging ten opzichte van het AHN2/3/4 is de manier waarop het hoogtemodel wordt afgeleid uit de puntenwolk.
In het AHN2/3/4 was het ½ m resolutie maaiveldmodel (DTM) een gewogen gemiddelde (inverse distance weighting) van de maaiveldpunten,
sinds het AHN5 is dat een ongewogen gemiddelde.
Ook het ½m resolutie oppervlaktemodel (DSM) was in het AHN2/3/4 een gewogen gemiddelde (inverse distance weighting) van alle punten uitgezonderd water,
sinds het AHN5 is dat het hoogste punt van alle punten uitgezonderd water, sinds het AHN6 worden naast water ook hoogspanningsleidingen en hoogspanningsmasten niet meegenomen in het oppervlaktemodel.
De modellen met 5 m resolutie zijn een ongewogen gemiddelde van het onderliggende hoogtemodel met ½ m resolutie.
Het AHN2/3/4/5 zijn origineel gepubliceerd als TOP-kaartbladen (5×6,25 km), deze zijn ongewijzigd.
De kaartbladen van 1×1 km van het AHN2/3/4/5 zijn opnieuw afgeleid uit de puntenwolk en volgen zo veel mogelijk de specificaties van het AHN6,
dus in de bladen met ½ m resolutie een ongewogen gemiddelde als maaiveldmodel en het hoogste punt als oppervlaktemodel.
Met betrekking tot hoogspanningsleidingen en hoogspanningsmasten zijn er twee uitzonderingen:
in het AHN4 bevat het oppervlaktemodel niet langer hoogspanningsleidingen maar wel hoogspanningsmasten;
in het AHN2/3 zijn zowel hoogspanningsleidingen als hoogspanningsmasten nog aanwezig in het oppervlaktemodel.